Seksueel misbruik bij Jehovah's Getuigen

Destijds in 2005, was de ontdekking dat er veel gevallen van seksueel misbruik binnen de organisatie waren die voor de buitenwereld verzwegen werden voor mij één van de redenen om bij Jehovah’s Getuigen weg te gaan. 

Omdat het onderwerp me bezighield, koos ik er vijf jaar later tijdens de minor kerkelijk werk voor het thema ‘godsdienst en incest’ te behandelen. Ik trok dat begrip ‘incest’ breder, tot seksueel misbruik binnen de godsdienstige context. Ik las het boek ‘Godsdienst en incest’, een onderzoek met diepte-interviews onder incestslachtoffers in (streng)religieuze milieus, door Annie Imbens en Ineke Jonker. Zij concluderen daarin ‘dat vrouwen met incestervaring door haar godsdienstige opvoeding tot gemakkelijke prooien gemaakt worden voor seksueel misbruik in gezin of familie. Bovendien hebben zij door die opvoeding problemen bij het verwerken van die ervaring’ (p.20).

Uit het onderzoek van de commissie Samson naar seksueel misbruik in de jeugdzorg (2012) lijkt voort te komen dat religie geen rol speelt bij de prevalentie – het vóórkomen – van seksueel misbruik. Toch kan religie wel degelijk bijdragen tot een milieu waarin seksueel misbruik gemakkelijker plaats kan vinden. Naar mijn mening is dit bij Jehovah’s Getuigen in ernstige mate het geval, niet alleen vanwege de religieuze overtuigingen, maar ook vanwege het beleid dat daaruit voortvloeit.


Hoe er wordt omgegaan met een situatie van seksueel misbruik

Van Jehovah’s Getuigen wordt verwacht dat zij grove overtredingen zoals hoererij, overspel, afvalligheid, homoseksualiteit en ook seksueel misbruik aangeven bij de ouderlingen. Wanneer de ouderlingen in een gemeente van Jehovah’s Getuigen geconfronteerd worden met een beschuldiging van seksueel misbruik binnen hun gemeente, willen zij proberen te achterhalen of de beschuldiging terecht is. Het getraumatiseerde slachtoffer wordt door een groepje van twee, drie (of soms meer) mannen de meest intieme vragen gesteld, zoals waar en wanneer het misbruik plaatsvond,  waar zij (of hij) werd aangeraakt en of zij dat prettig vond. 

Tot aan 1998 werd het slachtoffer zelfs in aanwezigheid van de ouderlingen geconfronteerd met de dader en moest zij haar beschuldiging in diens bijzijn herhalen! Indien de dader ontkent en er geen tweede getuige is – wat zelden het geval is bij seksueel misbruik – achten de ouderlingen de zaak niet bewezen. De dader wordt niet gestraft, het slachtoffer wordt gezegd de zaak ‘in Jehovah’s handen’ te leggen en er naar anderen toe over te zwijgen. Erger nog, het slachtoffer krijgt te horen dat spreken over het misbruik zou neerkomen op ‘laster’ of ‘smaad’, iets waarvoor ze uitgesloten kan worden!

Er wordt niet doorverwezen naar de politie. Ook niet naar andere hulpverlening. Aan het slachtoffer wordt geen recht gedaan. De ondervraging door de ouderlingen, alsook het gedwongen worden te zwijgen, kunnen het trauma in ernstige mate verergeren terwijl er geen adequate hulp wordt geboden voor verwerking.

Omdat gemeenteleden niet ingelicht worden, bestaat het gevaar dat de dader andere slachtoffers maakt. Zelfs in het geval dat een dader op restricties wordt gezet, wat inhoudt dat hij voorrechten verliest binnen de gemeente, mag hij nog altijd deelnemen aan de openbare prediking van huis tot huis. In dit laatste geval kunnen ook kinderen buiten de organisatie in gevaar komen.

Hoe is dit alles mogelijk? Enerzijds ligt de oorzaak bij de regels van het beleid binnen de organisatie,  met name het vasthouden aan de ‘twee getuigenregel’. Daarnaast zijn er bepaalde factoren die meespelen bij de handelwijze van de ouderlingen en die tevens bijdragen aan een religieus milieu waarin seksueel misbruik gemakkelijker plaats kan vinden. Ik denk daarbij aan machtsongelijkheid, seksuele onderdrukking en het gesloten systeem waarin kwalijke zaken worden verzwegen om het imago van de eigen religie te beschermen.


De twee-getuigenregel.

Wanneer ouderlingen te maken krijgen met een vorm van kwaad doen, of een beschuldiging ervan, dienen zij de richtlijnen te volgen die zij vanuit de organisatie hebben gekregen. De organisatie fundeert haar richtlijnen doorgaans op Bijbelteksten, zoals bijvoorbeeld de tekst in Deuteronomium 19:15, waar staat: ‘Eén enkele getuige dient niet tegen een man op te treden ter zake van enige dwaling of enige zonde, in het geval van welke zonde ook die hij mocht begaan. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen dient de zaak vast te staan’. In het geval van seksueel misbruik is er echter vrijwel nooit een getuige, waardoor het slachtoffer alleen staat met haar (of zijn) verhaal.

Tijdens de hoorzittingen door de Royal Commission in Australië, waarbij onderzoek werd gedaan naar het beleid inzake seksueel misbruik binnen de organisatie van Jehovah’s Getuigen, confronteerde aanklager Angus Stewart het lid van het Besturend Lichaam Geoffrey Jackson met de tekst uit Deuteronomium 22: 25-27. Dat tekstgedeelte gaat over een vrouw die in het veld wordt verkracht, zonder dat daar getuigen van zijn. Toch wordt vervolgens de dader gestraft. Deze tekst zou als precedent kunnen dienen om de twee-getuigenregel in zaken aangaande seksueel misbruik te laten varen. Helaas liet dhr. Jackson bij een volgende sessie weten dat men aan de twee-getuigenregel vasthield, omdat deze vaker in de bijbel wordt genoemd. Ongetwijfeld paste het ook niet binnen zijn geloofsvoorstellingen dat iemand die geen deel uitmaakt van ‘Gods door de geest geleide organisatie’ met een goede bijbeluitleg kwam.

Omdat er van seksueel misbruik zelden getuigen zijn, is het doorgaans het woord van het slachtoffer tegenover dat van de dader. De twee-getuigenregel werkt dan vaak in het voordeel van de dader.


Religieus gesanctioneerde machtsongelijkheid

Bij Jehovah’s Getuigen is er sprake van een sterke machtsongelijkheid: vrouwen dienen onderworpen te zijn aan hun man en kinderen aan ouders. Van gemeenteleden wordt verwacht dat ze gehoorzaam zijn aan de ouderlingen en zowel de ouderlingen als de rest van de gemeente dient te gehoorzamen aan de leiding van de organisatie. Zou men iemand van de organisatie hiernaar vragen, dan zal men het idee dat de één macht heeft over de ander, stellig ontkennen. Men noemt dat liever gezag. 

Waar komt die ongelijkheid vandaan? Zoals zo vaak bij Jehovah’s Getuigen, uit vrij letterlijk gelezen en toegepaste Bijbelteksten. Een paar voorbeelden:
-          Ik wil echter dat GIJ weet dat het hoofd van iedere man de Christus is, de man is op zijn beurt het hoofd van de vrouw en God het hoofd van de Christus – 1 Korinthiërs 11:3
-          Laten vrouwen onderworpen zijn aan hun man als aan de Heer, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals ook de Christus het hoofd van de gemeente is, hij als redder van [dit] lichaam. Ja, evenals de gemeente onderworpen is aan de Christus, zo moeten ook vrouwen het zijn aan hun man, in alles. – Efeziërs 5:22-24
-          GIJ vrouwen, weest aan [UW] man onderworpen, zoals het betaamt in [de] Heer…. GIJ kinderen, weest [UW} ouders gehoorzaam in alles, want dit is [de] Heer welgevallig. – Kolossenzen 3:18,20
-          Weest gehoorzaam aan hen die onder U de leiding nemen en weest onderdanig. – Hebreeën 13:17.

In de gemeente krijgen vrouwen geen leidinggevende taken. Volgens 1 Korinthiërs 14:34  ‘moeten de vrouwen zwijgen in de gemeenten, want het is hun niet toegestaan te spreken, maar zij moeten in onderworpenheid zijn, zoals ook de Wet zegt’. Vrouwen mogen deelnemen aan zogenaamde vraag-en-antwoordbesprekingen, maar zij mogen geen onderwijs geven in de gemeente. Bij afwezigheid van een gedoopte mannelijke Getuige van Jehovah, mag een vrouwelijke Getuige een velddienstactie leiden. Indien zij hierbij een gebed uitspreekt, wordt van haar verwacht dat zij een hoofdbedekking draagt ten teken dat zij het gezag van de man erkent.

Deze regelingen en uitleg van Bijbelteksten komen van een organisatie die haar volgelingen laat geloven dat zij door God geleid wordt. Richtlijnen van de organisatie staan daarom voor Jehovah’s Getuigen gelijk aan richtlijnen van God. Een God die grotendeels als mannelijk, een ‘Vader’, ‘Hij’, wordt voorgesteld. Over de invloed van dit soort geloofsvoorstellingen zeggen Imbers en Jonker: ‘Door het beeld van de patriarchale God, zijn eigenschappen en zijn verwachtingen van mensen, maar vooral van vrouwen, wordt de macht van de daders versterkt en worden de slachtoffers tegenover haar misbruiker machteloos en rechteloos gemaakt’ (p.175). In het geval dat de dader en het slachtoffer van hetzelfde geslacht zijn, zal deze machtsongelijkheid tussen de seksen niet zo’n rol spelen. Dan speelt echter nog steeds de autoritaire gezinsstructuur, alsook de afgedwongen gehoorzaamheid aan leidinggevenden in de organisatie. 

Ik heb de indruk dat de hiërarchie van machtsongelijkheid ook speelt op het gebied van het toekennen van geloofwaardigheid: in geval van een beschuldiging van seksueel misbruik wordt  een mannelijke Getuige van Jehovah die een goede reputatie heeft als ‘dienaar’ of ouderling eerder geloofd dan een kind dat nog geen reputatie heeft kunnen opbouwen.


Seksuele onderdrukking

Jehovah’s Getuigen houden er een strenge seksuele moraal op na. Seks mag alleen tussen een man en een vrouw die gehuwd zijn. Buiten het huwelijk is geen enkele vorm van seks toegestaan. Ook masturbatie niet. En hoewel de organisatie geen specifieke details noemt, laat ze wel doorschemeren dat ook binnen het huwelijk niet alle seksuele handelingen toegestaan zijn. 

Zo zegt de wachttoren van 15 mei 2012 in een artikel over het huwelijk:
‘De Bijbel zegt niet dat je alleen maar seks mag hebben om kinderen te krijgen. Seks kan in emotionele en fysieke behoefte voorzien. Maar God keurt perverse handelingen niet goed. Christelijke mannen en vrouwen moeten in dit belangrijke aspect van hun leven elkaar met tederheid behandelen en liefde voor elkaar tonen. En natuurlijk moeten ze alles vermijden wat Jehovah niet zou goedkeuren.’ (p. 5)
Wat het wachttorengenootschap onder ‘perverse handelingen’ verstaat, wordt hier niet duidelijk. De doorsnee Getuige van Jehovah zal echter gemerkt hebben op welke toon er in diverse publicaties over allerlei seksuele handelingen gesproken wordt en met dat in gedachten proberen te vermijden iets te doen waarvan ze geloven dat God het afkeurt. Seksuele voorlichting heeft een voorschrijvend karakter: seks is iets waarover gesproken wordt in termen van ‘mag niet’, niet iets waar vrij en ontspannen over gesproken kan worden.

Men kan met recht zeggen dat er bij Jehovah’s Getuigen sprake is van seksuele onderdrukking. In de Leeuwarder Courant van 2 maart 2010, in een artikel over seksueel misbruik in godsdienst, zei seksuoloog Rik van Lunsen: ‘Op alle plekken waar seksuele repressie gemeengoed is, vindt misbruik plaats’. Seksuele onderdrukking is een factor die kan bijdragen aan een milieu waarin seksueel misbruik eerder plaats zal vinden.


Een gesloten gemeenschap met een cultuur van stilzwijgen en geheimhouding

In mijn dagen als Getuige van Jehovah, was ik eens in de velddienst (de van huis tot huis prediking) tezamen met een ‘zuster’. Wij kwamen aan een deur waar zowel de vrouw als de man ons in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk maakten dat ze niks te maken wilden hebben met een religie die seksueel misbruikers beschermde. De vader van de vrouw was een lid van onze gemeente en ik wist dat hij in het verleden enkele van zijn dochters had misbruikt. Ik zei daarom dat ik me hun reactie heel goed kon begrijpen, wenste ze goedendag en ging verder. De ‘zuster’ naast mij echter keek erg geschrokken. Ze scheen niet te weten om wie het ging en toen ik het haar vertelde, schrok ze nog meer. 

Op dat moment drong tot mij door dat niet iedereen in de gemeente op de hoogte was van de geschiedenis van deze persoon. Ik dacht toen nog dat dat was omdat het misbruik mogelijk plaatsvond voordat die persoon een Getuige van Jehovah werd. Nu weet ik dat het stilzwijgen rondom gevallen van seksueel misbruik eerder regel is dan uitzondering.

De reden hiervoor is dat Jehovah’s Getuigen hun eigen religie zien als de enige ware religie, ‘Gods organisatie’, een ‘geestelijk paradijs’, tegenover een wereld die ‘in de macht van de goddeloze’ is, waar het ‘kwaad’ heerst. In het ideaalbeeld dat zij van hun organisatie hebben, past het vóórkomen van seksueel misbruik niet. 

Wanneer ouderlingen dan toch met seksueel misbruik geconfronteerd worden, lijkt hun eerste zorg uit te gaan naar het rein houden van de organisatie en het beschermen van het imago. Is het seksueel misbruik voor de ouderlingen niet bewezen, bij gebrek aan twee getuigen en ontkenning door de beschuldigde, dan kunnen de ouderlingen volgens de regels van de organisatie waaraan zij gehoorzaam moeten zijn niet ingrijpen. De angst voor negatieve berichtgeving over de organisatie maakt dat ouderlingen het slachtoffer (en familie) vragen te zwijgen. Er wordt zelfs gedreigd dat als ze de situatie wel openbaar maken, dit als ‘laster’ zal worden beschouwd, iets waarvoor men kan worden uitgesloten. 

Dreigen met uitsluiting is een machtig wapen: de uitgeslotene zal worden behandeld alsof die niet meer bestaat, doodgezwegen. Het betekent het verlies van contact met familie en vrienden. Het betekent buitengesloten worden uit een sociaal netwerk wat tot op dat moment doorgaans het enige sociale netwerk is.

Door de cultuur van stilzwijgen, die ook binnen de gemeente wordt gehanteerd, weten gemeenteleden vaak niet dat er zich een pedofiel of misbruiker binnen de gelederen bevindt en kunnen ze dus hun kinderen niet beschermen. Ook schijnen ouderlingen te denken dat iemand die berouw heeft betoond van zijn daden, vervolgens geen gevaar meer is voor anderen. Een dader die heeft bekend, kan doorgaans gewoon in de gemeente blijven, eventueel op restricties, maar zonder dat aan iedereen wordt gezegd wat hij heeft gedaan. Zoals eerder gezegd mag diezelfde dader nog altijd deelnemen aan het evangelisatiewerk, waarbij hij van deur tot deur gaat. Het komt zelfs voor dat voormalige daders van seksueel misbruik na verloop van tijd als ouderling dienen.

Jehovah’s Getuigen leren dat zij ‘God als regeerder meer [moeten] gehoorzamen dan mensen’, zoals in de tekst van Handelingen 5:29 staat. Het gevolg daarvan is dat zij hun eigen religieuze wetten, van hun organisatie, voor een groot deel boven die van de staat stellen. Slachtoffers van seksueel misbruik worden doorgaans niet doorverwezen naar politie of hulpverleners. Hiermee gaan de ouderlingen volkomen voorbij aan het feit dat seksueel misbruik een misdaad is, die dient te worden aangegeven bij de autoriteiten. Eveneens schijnen ze weinig oog te hebben voor het trauma dat het slachtoffer is aangedaan.
Kennelijk telt het voorkómen van negatieve berichtgeving over de organisatie, dat gezien wordt als ‘smaad op Jehovah’s naam’, zwaar. Deze houding van stilzwijgen naar de buitenwereld en zaken intern proberen op te lossen, doordringt de hele groepering.


Noodzaak tot onderzoek

Onder het kopje aangaande de twee-getuigenregel, verwees ik naar het onderzoek dat de Royal Commission into Institutional Responses to Child Sexual Abuse in Australië in 2015 uitvoerde naar het beleid bij Jehovah’s Getuigen in gevallen van seksueel misbruik. Tijdens publieke hoorzittingen werd aan de hand van twee slachtofferverhalen een aantal ouderlingen en leidinggevenden van de organisatie bevraagd. In oktober 2016 kwam de Royal Commission met een eindrapport.  De conclusie luidt dat de organisatie van Jehovah’s Getuigen ernstig tekortschiet in haar beleid inzake seksueel misbruik. Kinderen worden volgens het rapport niet voldoende beschermd.

Het rapport wijst op tekortkomingen in het beleid, waaronder de twee-getuigenregel, waaruit een ernstig gebrek aan inzicht in de aard van seksueel misbruik van kinderen blijkt. De commissie wijst er ook op dat het beleid bij Jehovah’s Getuigen niet gericht is op (hulp aan) het slachtoffer omdat een klacht door mannen wordt afgehandeld en het slachtoffer weinig keuze heeft in hoe een en ander verloopt. Eventuele sancties die een dader worden opgelegd zijn zwak en maken dat hij nog altijd vrij rondloopt, hetzij in de gemeente of anders in de gemeenschap als geheel.

Het is goed te beseffen dat de situatie in Australië niet op zichzelf staat. Het beleid binnen de organisatie van Jehovah’s Getuigen is wereldwijd hetzelfde. Inmiddels wordt ook in het Verenigd Koninkrijk een onderzoek gestart. Het zou goed zijn dat ook hier in Nederland een gedegen onderzoek wordt verricht in de hoop dat de organisatie daardoor gedwongen zal zijn het beleid aan te passen zodat kinderen, zowel binnen als buiten de groepering, beschermd worden!


Bronnen:
-          Imbens, A. en I. Jonker, Godsdienst en Incest (Horstink de, 1985)
-          Website van de Royal Commission into Institutional Responses to Child Sexual Abuse (Australia): http://www.childabuseroyalcommission.gov.au/case-study/636f01a5-50db-4b59-a35e-a24ae07fb0ad/case-study-29,-july-2015,-sydney.aspx
-          Website van Silentlambs: http://www.silentlambs.org/

-          Nieuwe Wereldvertaling van de Heilige Schrift (studiebijbel), via http://wol.jw.org/nl/wol/binav/r18/lp-o/Rbi8/O/2004




Reacties

  1. Het grote probleem is dat kritiek hebben op religie vaak wordt verward met een aanval op vrijheid van godsdienst. Het leggen van een verband tussen een gesloten gemeenschap waar op bepaalde personen met een leidinggevende of spirituele rol geen controle bestaat, een misbruikbevorderende factor is is NIET hetzelfde als zeggen dat religie of geloof gelijkstaat met misbruik, en al helemaal niet hetzelfde als een aanval op vrijheid van godsdienst. Dat beslotenheid en gebrek aan controle en niet religie an sich misbruik bevorderen, wordt bewezen door soortgelijke misbruikzaken op sportclubs, bij scouting, en nu in de topsport door coaches, allemaal niet-religieuze omgevingen waar een persoon op een voetstuk wordt geplaatst en door gebrek aan controle zijn macht kan misbruiken. Een soortgelijke problematiek ziet met ook bij charitatieve instellingen die onder een verlicht belasting- en corporate governanceregime vallen en het feit dat deze instellingen dan wel misbruikt worden door sekten om leden uit te buiten (een uitzendbureau van de Noorse Broederschap, 'vrijwillige' donaties onder pressie) danwel voor financiering van terrorisme (Mujaheddin al-Khalq, ISIS, Al Qaida, Tamil Tijgers). Ook voor de woekering van het jihadi-salafisme in Europa is doelbewust de ogen gesloten enerzijds wegens vrijheid van godsdienst en anderzijds vanwege de relatie met Saoedi-Arabie. Mijn voormalige docent privaatrecht prof. Oldenhuis, tevens een autoriteit op het gebied van godsdienst en recht, heeft gesteld dat de vrijheid van godsdienst is 'doorgeschoten' en inderdaad, er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen koren en kaf. Met als gevolg dat niet alleen seksueel- maar alle vormen van misbruik binnen gesloten organisaties welig tieren, waarbij kritiek wordt afgewimpeld met een beroep op vrijheid van godsdienst. Pas als het kalf verdronken is dempt men de put... of dempt men de put niet.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Vrijheid van godsdienst is inderdaad een lastig punt, waar maar al te snel naar wordt verwezen. Het lijkt mij echter dat een wet niet een andere wet mag (of kan) opheffen. Met andere woorden: vrijheid van godsdienst mag/kan geen excuus zijn waarmee andere wetten worden overtreden (of plichten worden nagelaten). Seksueel misbruik is een misdaad. De organisatie van Jehovah's Getuigen is nu zover - op papier - dat ze het in haar beleid verplicht stelt dat seksueel misbruik bij de autoriteiten moet worden aangegeven 'waar dit wettelijk verplicht is'. Ze doen het dus alleen om aan de wet te voldoen. En zelfs dan nog niet altijd. Liever zie ik echter dat seksueel misbruik wordt voorkomen. Om dat te bereiken zal er binnen de organisatie iets in het beleid moeten veranderen, er meer openheid moeten komen en mensen bewust worden gemaakt van het probleem.

      Verwijderen

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

Jehovah's Getuigen en de positie van de vrouw (2)

‘Ken je de feiten?’